“We zijn nu bij Besseling Group”, vertelt Gerbrant. “Dit bedrijf produceert stikstofgeneratoren voor ULO-toepassingen. Ze hebben testcellen tot hun beschikking voor proeven en onderzoeken. Voor onze galmijt ULO-proeven verzorgt Besseling dus de uitvoering van de ULO-behandelingen. We doen inmiddels al een paar jaar onderzoek naar de mogelijkheden om galmijt met deze techniek te bestrijden. Er is dus al veel kennis, maar we willen meer weten. Bijvoorbeeld hoe laag het zuurstofgehalte moet zijn en hoe lang de bollen in de cel moeten worden behandeld om 100% afdoding te bewerkstelligen.”
Bollen uit Chili
Voor de proef die vandaag de cel in gaat, zijn door een klant bloembollen vanuit het zuidelijk halfrond ingevlogen. Gerbrant: “Vanuit Chili om precies te zijn. Door het verschil in seizoenen kunnen we een jaarrond onderzoek doen en daarmee winnen we tijd. En dat is belangrijk want de ULO-methode zal komend seizoen al bij meer bedrijven worden ingezet.”
Terwijl hij naar de cel loopt waar de proef wordt ingezet, vertelt Gerbrant verder: “We hebben inmiddels goede inzichten in een optimale bestrijding van de galmijten. Maar we willen ook meer komen te weten over mogelijk negatieve effecten na een ULO-behandeling. Denk aan de groeikracht van de bol. De focus ligt op ULO-behandelingen voor het G-stadium, dus voordat de gehele bloem in embryonale toestand in de bol aanwezig is.”
Tulpengalmijt en ULONa 2025 zijn er minder middelen beschikbaar om de tulpengalmijt te bestrijden. Een van de mogelijkheden voor de bestrijding is met Ultra Low Oxygen (ULO). Vrijwel alle zuurstof wordt met deze methode uit de bewaarcel gehaald. De actieve tulpengalmijt kan met deze techniek worden bestreden. Voor het toepassen van de ULO-behandeling is een gasdichte ruimte nodig. |
Ontwikkeling groeipunten
Gerbrant vervolgt: “Bij dit onderzoek maken we niet gebruik van geïnfecteerde bollen want dat is niet nodig omdat we uitsluitend kijken naar de effecten van de behandeling op de bloembol. De behandelingen worden uitgevoerd in verschillende stadia (voor het G-stadium) van de bollen. Het Expertisecentrum Bloembollenteelt stelt daarbij vooraf de stadia vast. Er worden proeven uitgevoerd in zowel leverbare bollen als in plantgoed. Aan het einde van de bewaarperiode vindt beoordeling plaats, waarbij onder andere gekeken wordt naar de ontwikkeling van de groeipunten in de bol. Ook dit onderzoek wordt uitgevoerd door het Expertise- centrum.”
Samen met de teler
Om een eventueel effect op gewicht of lengte te kunnen uitsluiten, worden de bollen daarna gebroeid. Gerbrant: “De koude bewaring en broei vindt plaats bij een van onze klanten omdat het Expertisecentrum in de zomer hiervoor niet de faciliteiten heeft. Ik zie dat als een voordeel, want zo doe je het onderzoek echt samen.” Met Andre van Dienst, van Besseling Group, lopen we nog een rondje door het pand om wat van de nieuwe cellen en generatoren te bekijken waar de afgelopen periode aan gewerkt is. Al wandelend vertelt Gerbrant: “Voordat ik zeven jaar geleden voor Agrifirm ging werken, had ik een afwisselende baan bij de bloemenveiling. Ik werkte als accountmanager met klanten in Afrika waarbij ik me bezig hield met een breed scala aan teelten. Toch was er altijd het verlangen om meer in de bloembollen te gaan doen. Zo kwam ik bij Agrifirm-GMN terecht. Eerst als adviseur bloembollen en tegenwoordig als teeltspecialist.”
Achter de microscoop en in het veld
Wat mij drijft in mijn werk, is om antwoorden te vinden op de uitdagingen die op ons afkomen. Daarbij zit ik het ene moment achter een microscoop om bloembollen te bestuderen; en het volgende moment loop ik hier rond met bollen vanuit dezelfde levering om een proef te starten en de uitkomsten te monitoren.” Gerbrant tot slot: “Maar nu moet ik weer verder. Vanmiddag heb ik een overleg waarin we onderzoeksresultaten van zomerbloeiers met elkaar doorspreken. Binnenkort kan ik daar telers meer over vertellen tijdens de Regio Relatiedagen.”
Dit artikel is verschenen in de Bol&Teelt Jaargang 4 #1 2025